Cantates van Johann Sebastian Bach

Lobe den Herren, den mächtigen König BWV 137



Bach voor beginners? Bach voor beginners én voor gevorderden. Een mailtje:

 

Goedenavond!

Wij hadden thuis een LP die miljoenen malen gedraaid is en altijd weer boeide (al schijnt het tegenwoordig niet meer te deugen): BWV 137 en 147 door het Münchener Bach Chor en Orkest o.l.v. Karl Richter.

 

Ik heb die LP trouwens nog steeds in een zwaar beschadigde, beschimmelde hoes; de LP zelf is ook niet helemaal lekker meer.

 

Ik heb me wild gezocht naar deze uitgave op CD. Ik vond ooit gegevens over een CD-box met veel meer cantates van deze uitvoerenden, waaronder 137 en 147. Nooit ben ik erin geslaagd een verkoper te vinden.

 

Bij hernieuwde pogingen kwam ik uw web site tegen. Heeft u een idee waar ik zou kunnen slagen?

 

 

Het is inderdaad heel mooie, direct aansprekende muziek die we in deze cantate horen. Bach is in een goed humeur als hij dit schrijft, dat kan niet anders. Ik denk dat ik ook lang zou zoeken als wij deze LP thuis hadden gehad. Die Richter-versie is  schitterend. Maar ja, wat wil je ook? Dietrich Fisher-Dieskau, Peter Schreier, Edith Mathis, allemaal prima krachten, geen twijfel mogelijk. De top van de muziekwereld van 50 jaar geleden. En deze cantate is het instapmodel onder de Bach cantates. Heerlijke muziek, ongecompliceerd, instappen en karren maar!

 

Het is beslist een succesverhaal waar Bach in 1725 mee komt; 'Lobe den Herren, den Machtigen König der Ehren’ gebaseerd op de vijf strofen van het (ook voor ons) overbekende koraal van Joachim Neander. De melodie is verwerkt in elk van de vijf delen maar pas aan het slot horen we het koraal op de vertrouwde manier, in een vierstemmige zetting met de melodie in de bovenste stemmen. In de eerste vier delen heeft Bach het materiaal op verschillende manieren in het geheel 'ingevlochten'. Daarbij neemt hij telkens een ander aspect van de tekst als uitgangspunt en hij laat zich in de muziek daardoor inspireren.

 

Het is een koraalcantate, in een jubelend C groot met een bezetting van drie trompetten en slagwerk en, nogal  ongebruikelijk, twee hobo's. En wat ook zeldzaam is, het is zijn eerste cantate in meer dan twintig jaar die gecomponeerd is als een reeks koraalvariaties. Sinds ‘BWV 4 Christ lag in Todes-banden’ heeft Bach dat niet meer gedaan. Hier geen recitatieven, geen bijbelcitaten, er is ook niet het gebruikelijke poëtische commentaar. Maar wel staat daar tegenover; één van de meest glorieuze van alle hymnen, bekend in alle kerken, in alle landen. Bij ons kennen we het als 'Lof zij de Heer, den Almachtige’, een muzikale delicatesse voor wie daar gevoelig voor is....

 

De openingsfantasie, dirigent John Eliot Gardiner noemt het een ‘jazzy stuk', is doorspekt met syncopen en het is van een niet te stoppen ritmische vitaliteit. Het fugatische thema - voor de zangers heeft het een zeer lastige inzet - begint bij de alten en het moet met erg veel beleid gebracht worden om niet te ontaarden in wat Gardiner noemt ‘een kippenhok’. Minder gevaarlijk wordt het bij de tweede van de drie inzetten, daar waar de woorden ('meine geliebete Seele') om een meer lyrische benadering vragen. Bij het herhalen van de eerste zinnen is er het effect dat de sopranen die de cantus firmus hebben, de hoofdmelodie, de andere stemmen meenemen in een ‘declamerende samenzang’. Zeg maar gerust, een apotheose, want dat is het zeker.

 

'Kommet zuhauf, Psalter und Harfen, wacht auf!'

 

De feestelijke uitbundigheid van de compositie maakt dat deze hele cantate geschikt is om ook buiten de zondagse liturgie gehoord te worden.

 

Uitbundigheid op een wat meer intieme schaal is er in de tweede strofe (een trio sonate) waar het koraal, nu lichtjes versierd, wordt toegewezen aan de alt; een solo over een swingende continuo partij in 9/8 maat met daarbij een obligate viool. De metafoor van het veilig rusten 'op arendsvleugelen' brengt Bach ertoe te kiezen voor levendige strijkers met patronen die elkaar steeds kruisen, maar de koraalmelodie bepaalt de melodische vorm. Die arendsvleugelen, het is eigenlijk een metafoor voor God's handen waar de gelovige veilig in rust.

 

De koraalmelodie is ook allesbepalend in 3 waar twee hobo's klinken, die samen met sopraan en bas, meedoen in een canon. Het is hier als in een gemengd dubbelspel, elke speler in het koppel mag op zijn beurt 'serveren’: eerst de bas, dan de sopraan, hobo 1 en vervolgens hobo 2. Het is een spel, een voortdurende stroom van heerlijke muziek, we staan hier in de volle zon, tot bij deze regels 

 

'Hoe vaak niet, als je in nood was, heeft de barmhartige God Zijn vleugels over je uitgespreid!' 

 

want op dat moment trekt er een wolk over deze muziek. De nood van de gelovige wordt voelbaar in een schurend dalende chromatiek, de beweging van God’s beschermende vleugels horen we in levendige ketens van dactylen. De laatste drie zinnen van de hymne worden daarna herhaald, zo herstelt de balans zich weer na die expressieve, voor één keer wat donkere kant van de cantate. 

 

Wat betreft de hogere componeertechniek wordt het nu echt interessant. Er is een strijd om de harmonische suprematie die zich afspeelt in deel 4: het gaat tussen enerzijds de tenor met continuo die in A klein zitten en anderzijds de onopgesmukte koraalmelodie van de trompet in een glanzend C groot. Het wringt hier. Het wringt harmonisch op een fantastische manier. Een intrigerend spanningsveld is het. Maar het tenor/continuo partnerschap veegt uiteindelijk de finale noten en de cadens van de trompet terzijde. 

 

Toch behoort het laatste woord aan de trompetten in een onbetwiste overwinning in C groot: een majestueuze zevenstemmige harmonisatie van het koraal (5). Niemand komt tot zulke feestelijke dankliederen als Bach, althans, wanneer hij daartoe in de juiste stemming is. Hij weet exact de beste manier om de ceremoniële trompet aan kop te laten gaan om gevolgd te worden door de hulptroepen; koor en orkest. Ongebreidelde vreugde en majesteit, dat is het resultaat. De drie trompetten symboliseren hier niet alleen de drieëenheid van God maar staan ook voor zijn ondeelbare heerschappij over hemel en aarde. Het is prachtig.

 

 

Ikzelf omschrijf deze cantate (wellicht door de eenvoud) al bij de eerste keer luisteren als een heel mooi werk. Vooral opvallend vind ik het openingskoor waar ergens vanuit het niets dat thema 'Lof zij de Heer' opstijgt. Ja, je bent gereformeerd opgevoed of je bent dat niet. Ook opvallend vind ik de tenoraria, heel wrang is die. En heel mooi! En blijkbaar is het ook die eenvoud van allemaal variaties op éénzelfde thema wat direct aanspreekt. Bach was ongetwijfeld tevreden over zijn werk. Hij heeft de altaria (2) later omgewerkt tot een van zijn Schübler-Choräle voor orgel, BWV 650. En die vinden we in zeer, zeer vele gedaantes terug. Wie BWV 650 intoetst bij iTunes komt niet alleen bij Yo-Yo Ma maar ook bij zeer, zeer vele organisten, er zijn bewerkingen voor strijkensembles maar ook voor trompet en zelfs treffen we een versie voor een speeldoosje aan. Het zijn in totaal 100 treffers en dat is een selectie, zegt iTunes.

 

Deze cantate bezit ik ook in een uitvoering door het Thomanerchor Leipzig. Peter Schreier is hier prachtig maar ik kan me qua orkest een mooiere uitvoering voorstellen. Rilling betitel ik eerst als de winnaar omdat het allemaal zo los, zo swingend klinkt. Maar later luisterend naar de Harnoncourt-versie klinkt alles juist daar weer uitgesproken nieuw en fris; wat mooi, speels klinkt het in deze kleine bezetting. Maar mogelijk is de Gardiner-versie (luistert U toch) nog iets prettiger. Ach, zo gaat het steeds.

 

En de schrijver van het mailtje heb ik naar Fame Amsterdam verwezen want daar heb ik immers een paar weken terug die box met ‘75 Kantaten’ aangeschaft. Die ouderwetse uitvoering van Karl Richter uit de grijze oudheid maar wat prachtig.

 

 

 

Geraadpleegde bron: John Eliot Gardiner

 

Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir BWV 131


'Kijk,' zei zijn moeder. Ze stond voor het gasstel en wees achter zich op het aanrecht. 'Bedoel je die fles?' vroeg hij. Er stond een fles met donkerrode vloeistof. Op de hals zat een oranje capsule. Hij trad naderbij. 'Wat is dat?' vroeg hij. 'Ik heb een fles wijn gekocht voor vanavond,' antwoordde ze, een aantal oliebollen uit de braadpan wippend. 'Dat is prachtig,' zei Frits. Hij nam de fles bij de hals op. Er zat een blauw etiket op met een gele rand. 'Bessen-appel,' las hij zacht. 'Bessen-appel,' zei hij bij zichzelf, 'bessen-appel. Help ons, eeuwige, onze God. Zie onze nood. Uit de diepten roepen wij tot u. Verschrikkelijk.'

 

(uit ‘de Avonden’, Gerard Reve)

 

 

 

Frits van Egters is niet de enige die vanuit de diepten tot ons roept. Velen gaan hem voor. Luther natuurlijk, maar eerder is daar nog de dichter die ons de 130ste psalm schenkt. En dan is daar Bach die deze tekst kiest voor een van zijn eerste cantates. Velen gaan er van uit dat BWV 131 zijn allereerste cantate moet zijn maar er is veel onzekerheid op dat gebied. Ik heb zelf - in mijn oneindige wijsheid - besloten dat 150 de eerste is en bij mij is 131 nummer 2.

 

'Aus der tiefen rufe ich, Herr, zu dir' heeft, dat mag duidelijk zijn, niets van doen met moeders die verkeerde wijn aanschaffen. De cantate wordt geschreven voor een ‘boetedienst’ na de grote brand die Mühlhausen teistert op 30 mei 1707, vlak voor Bach daar aantreed als organist in de Blasiuskirche. 360 huizen in de benedenstad gaan bij de brand verloren. Bach is 22, hij staat aan het begin van zijn carrierre en het duurt nog lang voordat (vanaf 1723) zijn massale cantateproduktie in Leipzig op gang zal komen. Hij heeft zich de afgelopen vier jaar in de luwte van een rustig organistenbaantje in Arnstadt kunnen ontwikkelen als orgelvirtuoos, als componist en orgeldeskundige. Anderhalf jaar geleden bezocht hij zijn idool Buxtehude in Lübeck. Voor Bach is zijn verblijf in Mühlhausen slechts een korte tussenstop. We mogen er van uit gaan dat hij andere ambities heeft. Op 17 oktober zal hij trouwen met zijn achternichtje, de zangeres Maria Barbara, en binnen het jaar vertrekt hij naar Weimar waar hij negen jaar zal blijven, eerst als organist, kamermusicus en later zal hij bevorderd worden (in 1714) tot kapelmeester aan het hof. 

 

Voor wie enigszins bekend is met Bach’s werk valt het direct op dat wat we hier horen sterk afwijkt van zijn latere werk. Slechts de beide aria's (voor tenor en bas) met die geïnjecteerde koralen tonen een bekend Bach procédé. Verder is alles anders. We horen geen recitatieven in deze cantate, ook niet het gebruikelijke slotkoraal en evenmin da-capo-aria's zoals hij die later zal schrijven naar het voorbeeld van de Italiaanse opera. Maar koor heeft hier juist een veel groter aandeel dan in zijn latere werk waar het zijn rol veelal beperkt ziet tot een openingskoor en een slotkoraal. De Bach, zoals we hem kennen is er nog niet, alles wat de jonge Bach hier doet is wel heel netjes en volgens het boekje. De structuur en het arrangement zijn helemaal gedacht vanuit het motet en vanuit het Geistliches Konzert, vorm-principes uit de Noord-Duitse traditie. Zijn stijl sluit  naadloos aan bij zijn 17e eeuwse collega's. Nee, vernieuwend is het zeker niet wat Bach hier doet, maar tegelijkertijd geeft hij er een onovertroffen inhoud aan.

 

Ook wat betreft de teksten die Bach gebruikt is deze cantate ongewoon. Dit keer is er geen gelegenheids-dichter aan te pas gekomen zoals later gebruikelijk is, hier wordt alles rechtstreeks  ontleend aan de Bijbel (Psalm 130) en aan het protestantse kerklied. Dat betekent ook dat er geen compositorische handigheidjes zijn die richting zouden kunnen geven aan zijn werk. Het is een letterlijk volgen van de psalmtekst en dat vraagt ook om allerlei contrasten in stijl, vorm en expressie. Geen enkele maat is hetzelfde. Dat komt de kwaliteit zeer ten goede. En meteen bij de eerste zin is het duidelijk; hier gaat het niet gewoon om wat tegenslag, het gaat om diepe ellende. De stemmen duiken bij het woord 'diepte' dan ook ook letterlijk de diepte in. In het verdere verloop zijn de verschillende onderdelen moeilijk van elkaar te onderscheiden. Alles gaat, zoals bij 17e eeuwse motetten, (vrijwel) ononderbroken in elkaar over en er vindt een levendige, soms grillige wisselwerking plaats tussen solisten en koor. Toch is er, zoals in de meeste vroege cantates een symmetrische opbouw; het koor ‘Ich harre des Herrn’ (3) is het middelpunt waar de stemming dan ook kantelt. Waar het begin ziet op de ellende, komt nu de hoop om de hoek kijken. Heel letterlijk illustreert Bach daarna in de aria van de tenor dat wachten soms lang duurt – let op het woord ‘wartet’. 

 

Wat Bach ertoe brengt om in zijn stijl zo nauw aan te sluiten bij de bestaande stilistische ontwikkeling en waarom hij zich helemaal niet inlaat met eigentijdse tendensen zoals recitatief en da capo aria, het is niet bekend. Dat hij uit zichzelf besluit om tegen de stroom in te zwemmen is niet zo waarschijnlijk. Het ligt meer voor de hand dat hij tegemoet komt aan de adviezen of verzoeken van zijn werkgevers in Mühlhausen en dat hij zich aanpast aan de muzikale tradities van zijn ambtsvoorgangers. Maar dat maakt het wel fascinerend om het resultaat hiervan te zien; de uitgesproken muzikale kwaliteit van deze cantate is het resultaat van enerzijds het streven naar traditie en symmetrie, anderzijds van het niet opnieuw een gangbaar motet of Geistliches Konzert willen toevoegen. Maar hij nog niet zover dat hij de Italianiserende mode zal gaan volgen, dat komt later. Het resultaat is een verrassende afwisseling en vormenrijkdom die deze cantate een frisheid geven die Albert Schweitzer brengt tot zijn uitspraak dat men gaarne honderd latere cantates inruilt voor tien van deze oude.

 

Dit is een cantate die nogal eens live wordt uitgevoerd. Heel erg mooi zingt Fabio Triumpy de tenorpartij in de Westerkerk op 26 mei 2007. En wat betreft de cd-opnames is dit een interressante cantate om te vergelijken; de kenmerken van de verschillende uitvoeringen zijn zeer nadrukkelijk aanwezig. De kamermuziekachtige, door jongens-stemmen gedomineerde authentieke opvatting van Harnoncourt is een groot contrast met de meer romantische, grootschalige opvatting van Rilling. En wat resteert er van dit werk als je het door een solistenkwartet laat uitvoeren? Weinig, zo blijkt als je de Taylor-uitvoering beluistert. Zowel de koor-partijen als ook die voor de solisten lijden hieronder. Er is in feite weinig reden om het zo te doen.

 

 

 

 

"Uit de diepten heb ik geroepen,' zei hij bij zichzelf, 'maar mijn stem is niet gehoord. Bessen-appel. Nu ga ik op weg naar huis. Eeuwige, enige, onze God, ik ga naar mijn ouders. Zijn ogen werden vochtig.”

 

 

(uit ‘de Avonden’, Gerard Reve)

 

 

 

Ewiges Feuer? De inspiratie van Johann Sebastian Bach


door Maarten 't Hart

 

 

Alfred Dürr zegt in zijn standaardwerk over de cantates: ’Terecht wordt de alt-aria uit BWV 34 tot de meest geslaagde ingevingen van Bach gerekend’. De tekst van deze aria luidt:

 

Wohl euch, ihr auserwählten Seelen,

Die Gott zur Wohnung ausersehn.

Wer kann ein größer Heil erwählen?

Wer kann des Segens Menge zählen?

Und dieses ist vom Herrn geschehn.

 

Geen bijzondere tekst, en de laatste regel is een echte dooddoener, werd alleen maar toegevoegd vanwege dat woord ’geschehn’ dat op ’ausersehn’ moest rijmen. Maar je zou ook kunnen veronder-stellen dat Bach geïnspireerd werd door de uitverkoren zielen, en in deze aria een beeld heeft gegeven van de hemelse zaligheid, van het eeuwige Jerusalem. Helaas, dat kan niet het geval zijn, want deze aria figureerde oorspronkelijk in een cantate ter gelegenheid van de bruiloft van een dominee. En deze trouwlustige dominee werd door een gemeente-lid aldus toegezongen:

 

Wohl euch, ihr auserwählten Schafe,

Die ein getreuer Jacob liebt.

Sein Lohn wird dort am grössten werden,

Den ihm der Herr bereits auf Erden

Durch seiner Rahel Anmut gibt.

 

De tekstdichter van cantate 34 heeft dus heel handig een tekst vervaardigd met hetzelfde ritme, dezelfde hoeveelheid woorden als de tekst van de aria uit de bruiloftscantate. Dat moest ook wel want dan kon Bach netjes zijn muziek uit die bruiloftscantate overnemen in de Pinkstercantate nummer 34. Zo geschiedde, en aldus ontstond een van de onvergan-kelijkste stukken muziek die Bach componeerde op een lompe tekst over een ’getreuer’ dominee die met een vrouw beloond wordt. Hoe volstrekt ondoor-grondelijk en onbegrijpelijk zijn toch de wegen van een genie. Hoe kan het zijn dat een componist, geïnspireerd door zo’n tekst, een aria schrijft die naar mijn smaak, tezamen met de tenor-aria’s uit cantate 85 en 87, en de alt-aria uit cantate 117, en de sopraan-aria’s uit de cantate 149 en cantate 151, tot het allermooiste behoort wat Bach ooit heeft gecomponeerd? Maar wie de teksten uit cantate 85, 87, 117 en 149 bekijkt kan al evenmin begrijpen waarom juist deze teksten Bach inspireerden tot het beste dat hij te geven had (Voor de tekst van cantate 151 geldt dat minder). De conclusie kan alleen maar zijn dat de tekst er kennelijk weinig toe deed, en dat Bach zijn ingevingen kreeg, onafhankelijk van de tekst die hij onder handen had. Dat geldt soms ook bij Mozart, bij Schubert, bij Verdi, maar bij hen is de afgrond die er gaapt tussen de kwaliteit van de muziek en de kwaliteit van de tekst toch nooit zo groot als bij Bach. Wie dan ook de teksten bestudeert die Bach inspireerden, eindigt met alleen nog maar veel grotere bewondering voor de ongelofelijke genialiteit van Bach, met daarbij de ontnuchterende kanttekening dat enig literair gevoel in die genialiteit kennelijk niet besloten lag. 

 

 

Elke week een cantate, elke week een nieuwe compositie. Dat is wat er wordt verwacht van de Thomaskantor in Leipzig. De teksten die vastgesteld zijn voor de zondagen van het kerkelijk jaar dienen het uitgangspunt te zijn. Vanaf 1723 is Johann Sebastian Bach Thomaskantor in Leipzig.

 

Elke week een cantate van Bach beluisteren, dat is wat wij kunnen doen en het is een mooi begin van de zondag.

 


Cantate - Letterlijk: zangstuk (Ital. van cantatere = zingen). Compositie op geestelijke of wereldlijke tekst voor een of meer solisten met of zonder koor. Bestaat uit meerdere onderdelen zoals recitatieven, aria's, duetten, koralen en koren. 

Koraalcantate - Een cantate waaraan de tekst en in de regel ook de melodie van een kerklied, een koraal, ten grondslag ligt. In koraalcantates is het aandeel van het koor vaak groter dan in andere cantates.

Motet - Sinds de renaissance is het motet een meerstemmig geestelijk gezang zonder instrumentale begeleiding, aanvankelijk nog in het Latijn, later in de volkstaal.

Geistliches Konzert - Aanduiding voor een groot deel van de korte geestelijke muziekstukken uit de 17e eeuw. De stilistische wortels van het Geistliches Konzert liggen enerzijds in de monodie (éénstemmigheid) anderzijds in het traditionele motet.

Johann Sebastian Bach - Bach werd geboren op 21 maart 1685 te Eisenach in de huidige Duitse deelstaat Thüringen als telg van een oud muzikaal geslacht (over 7 generaties telde het meer dan 120 musici). Hij werd gedoopt op 23 maart in de Sankt Georgenkirche, gelegen op het centrale stadsplein van Eisenach waaraan ook het stadskasteel van de vorsten van Sachsen-Eisenach is gelegen. Als tweede naam kreeg de dopeling de naam van zijn peetoom, Sebastian Nagel, stadsblazer uit Gotha. Hij kreeg al op zeer jonge leeftijd van zijn vader Johann Ambrosius Bach vioolles. Op negenjarige leeftijd werd hij wees en kwam hij terecht in het gezin van zijn oudste broer Johann Christoph Bach III, die kerkorganist was in het stadje Ohrdruf.

Herz und Mund und Tat und Leben BWV 147


Deze cantate dankt zijn wel heel brede aantrekkingskracht voornamelijk aan de toevoeging van twee - muzikaal gezien - identieke koralen, pastoraal van karakter, waarmee Bach de beide afzonderlijke delen besluit. Het is muziek van zo een honingzoete schoonheid en treffende natuurlijkheid dat we gemakkelijk over het hoofd zien dat dat gevierde acht-maten-lange ritornello, die weelderige ornamentiek waarmee Bach de simpele melodie omgeeft, voortkomt uit exact diezelfde ‘roots’ die het zo uitbundig verfraait. Dat schijnbaar eindeloos vloeiende thema van dit stuk heeft Bach inderdaad overgenomen uit een simpele koraalmelodie van Johann Schop ‘Werde munter, mein Gemüte’.

 

 

Gewoon dezelfde noten dus, maar met aanvullingen. Niet weg te denken muziek. Maar toch is dit stuk nauwelijks opgevallen bij het grote publiek tot begin vorige eeuw, toen is het, dankzij een pianobewerking, een heel eigen leven begonnen. Ontelbare arrangementen en parafrases van dit werk hebben grote aantallen mensen in de muziek van Bach geïntroduceerd.

 

Zo ook Maarten 't Hart:

 

"Toen ik een jaar of acht oud was hoorde ik bij een vriend thuis voor 't eerst de door Myra Hess gemaakte bewerking van 'Wohl mir das ich Jesum habe'. Grootgebracht als ik was op een karig dieet van 150 psalmen en 29 gezangen, bleek dat één van de meest aangrijpende ervaringen van mijn leven. Amper vermocht ik te begrijpen dat zoiets prachtigs bestaan kon. Omdat de melodie mij telkens weer ontglipte, wilde ik hem telkens weer horen. Gelukkig wist hij zich uiteindelijk, nadat ik bij diezelfde vriend herhaaldelijk een 45-toeren plaatje had beluisterd met Pierre Palla aan het orgel, zo ferm in mijn geheugen te nestelen dat hij altijd op afroep beschikbaar bleek. Waardoor ik hem op straat kon nafluiten. Mijn liefde voor de klassieke muziek vindt daar zijn oorsprong. Ik vond (en vindt) die melodie zo prachtig dat dat een toetssteen werd. Al wat ik later hoorde werd eraan afgemeten. Zodoende ging in de jaren zestig de treurnis van de Beatles en Elvis Presley en de Rolling Stones volledig aan mij voorbij. Bachs koraalbewerking was immers oneindig veel mooier. Ook voor zoiets vreselijks als jazzmuziek ben ik dankzij Bach nooit gevallen. Ik hoefde, als ik op straat liep en er zo'n druilerig motregentje viel, die triolenketen maar zachtjes te fluiten en ik wist het weer: dit is het, hier gaat het om, dit is het allermooiste wat er bestaat."

 

De cantate ‘Herz und Mund und Tat und Leben’ is bedoeld voor de Maria-Visitatie (2 juli 1723) maar Bach werkte er al eerder aan namelijk in de aanloop van de vierde adventszondag van het jaar 1716. Maar er zou niet gezongen worden op die betreffende zondag en e.e.a. is op toen de plank beland. Deze tekst uit de bijbel kan eigenlijk ook wel voor een feestdag rond Maria worden gebruikt, zo was het idee. Dus werd dit alles 7 jaar later weer tevoorschijn gehaald.

 

Die koraalmelodie stelt al het andere van dit werk volledig in de schaduw. Toch verdienen ook de andere acht delen van deze cantate wel wat aandacht. Bij deze dan. 

 

Herz und Mund und Tat und Leben

 

Het openingskoor (1). Het is een fuga die we hier horen die verbeeldt hoe de boodschap -enthousiast- wordt doorverteld, steeds overgenomen door verschillende vocale partijen, soms meerdere tegelijk en tenslotte met inzetten die elkaar overlappen. Men valt elkaar in de rede, er is enthousiasme en er is ongeduld.

 

Schäme dich, o Seele, nicht,

deinen Heiland zu bekennen 

 

Bijzonder is dat wonderlijk ondefinieerbare ritme in de alt-aria (3) met de hobo d'amore. Het switched doelloos ergens tussen een 3/4 en 3/2 maat. Het lijkt alsof hier de twijfel overheerst, de componist kan niet kiezen.

 

Bereite dir, Jesu, noch itzo die Bahn

 

De sopraan deelt in haar aria (5) het 'brünstige Verlangen' zojuist verwoord door de bas en gaat dansend op weg, begeleid door een zwierige vioolsolo.

 

Hilf, Jesu, hilf, daß ich auch dich bekenne

 

Innovatief is Bach als hij in de tenor-aria (7) de cello en het orgel niet unisono laat spelen en dat het orgel (en dat is ongewoon) muzikale decoraties mag aanbrengen. Zo wordt op het eind gesproken over 'brennen' en we kunnen dan aannemen dat met die orgelmotiefjes die we steeds hoorden vlammetjes werden verbeeldt.

 

...er wird bewegt, er hüpft und springet

 

In het volgende recitatief (8) als Maria vertelt zwanger te zijn (van Jezus), springt het kind in Elisabeths schoot (Johannes de Doper) op en neer. Bij 'er hüpft und springet' horen we onverwachte staccatonoten in de plaats van de meanderende hobo's die de alt begeleiden.

 

En dan volgt voor de tweede keer het koraal wat deze cantate zo domineert. Wie de oorspronkelijke cantate zou willen horen (uit 1716) zonder de overbekende 'showstoppers' die moet eigenlijk luisteren naar BWV 147a. Maar, deze wordt nooit uitgevoerd en die is ook nooit op cd of lp uitgebracht. Op advies van de website All of Bach geef ik daarom het volgende recept; verwijder de recitatieven, verwijder ook de twee koraal-zettingen, verwissel de sopraan- en tenoraria’s van plaats, denk een andere tekst bij de aria voor de bas (‘Lass mich der Rufer stimme hören’), en sluit af met de zesde strofe van het koraal Ich dank dir, lieber Herre (bijvoorbeeld BWV 347 of 348). En dan krijgt U alles wat ik hierboven beschreven heb. Maar de kans dat U dit doet lijkt me klein want U mist dan dat 'melos van honingzoete schoonheid en treffende natuurlijkheid' van die beide koralen.

 

Wie moeten wij op cd beluisteren? Eigenlijk moeten we ze allemaal horen (en het zijn er nogal wat) maar in ieder geval Harnoncourt. Van alle uitvoeringen die ik hiervan bezit is dat misschien wel de mooiste. Licht gespeeld, een mooi tempo, geen sentimenteel gedoe. Een prachtige oboe di caccia. Verder tel ik nog 11 uitvoeringen in mijn eigen collectie maar de ‘Bach Cantata Web-site’ vermeldt er minstens 30. De Rilling-versie is precies zoals je zou verwachten. Hij is er ook in een versie door The Bach Ensemble (op authentieke instrumenten en met een solistenkwartet i.p.v. een koor) en in een versie door het Münchener Bach-Chor/ Orchester. Er is een alternatieve versie o.l.v. Geraint Jones. De versie van the Academy of Saint Martin in the Fields uit hun glorietijd begin 70-er jaren. Natuurlijk hebben veel grote solisten de cantate gezongen zoals daar zijn Elly Ameling en wat die opname vooral prachtig maakt is het zeer eigen geluid van het Kings College Choir uit Cambridge. En natuurlijk ook één o.l.v. John Eliot Gardiner. De tenor klinkt bij hem licht, vlot en toch vol drama. Een versie o.l.v. Fritz Werner is dan juist heerlijk ouderwets langzaam en die heeft een feestelijke trompetbegeleiding in het koraal die we niet bij iedereen horen. Buitengewoon mooi en ietwat sentimenteel.

 

Wonderlijk toch dat ik deze ‘cantate aller cantates’ nooit maar dan ook nooit live hoor. Nooit, tot eindelijk met kerst 2006 John Eliot Gardiner met zijn gevolg verschijnt in het Concertgebouw. En ook 140 en 70 en 61 weerklinken nu, het kan niet op. Jawel, het is mooi. En William Towers is ziek en wordt vervangen door countertenor Robin Blaze. Ook dat is mooi.

 

 

Wie wil weten tot welke bizarre resultaten deze muziek verder nog kan leiden moet even doorklikken naar deze pagina. Of neem een kijkje in dit Japanse woud.

 

This commercial, which is about three minutes long, shows a giant xylophone somewhere in deep Japanese forests. The music is composed bij Bach, it's taken from a wellknown cantata.

 

Wachet auf, ruft uns die Stimme       BWV 140


In de late 16e eeuw, verspreidt zich een vreselijke plaag door delen van Europa, de pest heerst, ook in de Duitse stad genaamd Unna. Zo’n 1300 inwoners van Unna sterven gedurende deze uitbraak. Philipp Nicolai (1556-1608) is pastor van een kerk in deze stad. Hij wordt eveneens ziek, en verwacht te gaan sterven. Liggend bereidt hij zich voor op zijn dood en hij noteert zijn meditaties in een dagboek. Als hij dan, tot zijn verbazing, hersteld van zijn ziekte schrijft hij twee hymnes (‘Wachet auf’ en ‘Wie schön leugnet der Morgenstern’) en neemt ze op in het dagboek wat hij tijdens de plaag heeft bijgehouden. Beide hymnes zijn onsterfelijk geworden. 

 

Cantate 140 is (evenals BWV 1) gebaseerd op de hymne van Philipp Nicolai, een nauwgezette herdichting van de parabel van de tien maagden, zoals beschreven in Mattheus 25:1-13. De drie lange coupletten van het lied en de expansieve melodische lijn plus het concept van Jezus die de gelovige ziel als bruid kiest, inspireren Bach tot een buitengewoon indrukwekkend geheel. De drie delen van de hymne krijgen een plaats in het begin, het midden en het eind onderbroken door twee recitatieven en twee duetten waarvoor een anoniem gebleven librettist uitgebreid gebruik gemaakt heeft van bijbelcitaten uit het Hooglied en uit het boek der Openbaringen.

 

Over alle onderdelen van dit werk valt veel te zeggen, maar toch vooral van de twee duetten (aria's) die tot de mooiste liefdesduetten behoren ooit op schrift gesteld. Als we ze gaan vergelijken dan is het tweede liefdesduet (6) tussen de anima (de ziel) en haar bruidegom (Christus) veel meer ontspannen, meer opgewekt en meer zorgeloos dan het eerste, echter zonder dat dit ontaard in de gebruikelijke joligheid van een bruiloftscantate. Hier is de verwachting ingelost, de geliefden zijn innig verenigd, muzikaal gezien lopen hun partijen meer dan in (3) het geval was parallel. Aards liefdesgeluk en hemelse zaligheid zijn geheel versmolten. 

 

Intussen is, halverwege de cantate, het lied van de wachter (4) een briljant dramatisch gebaar. Hoog op de toren kondigt hij de komst van de bruidegom aan met woorden afkomstig uit het Hooglied. We voelen hierbij als het ware een scene-wisseling, een ingrijpende gebeurtenis op het toneel. Terwijl blijkbaar elders in de stad dat intense duet wordt gezongen treffen we hier de wachter die onverstoorbaar zijn lied zingt, misschien fluit hij het wel, die heerlijke melodie die in alle strijkers klinkt en die letterlijk honderden jaren lang Bach-kenners geobsedeerd heeft. Iedereen weet dat dit één van de meest heerlijke melodieën is die men ooit hoorde maar geen mens weet waarom. Juist die gewoonheid is wellicht een belangrijk theatraal gebaar. De wachter staat daar en langs hem heen gaat de schare uitverkorenen haar eigen weg. We horen dan een geheel onafhankelijke, contrapuntische melodie van tot één unisono-stem gebundelde violen. Bach is zich ongetwijfeld bewust van de impact die deze muziek heeft en hij heeft dit werk dan ook voor orgel getransponeerd (BWV 645) en het ook nog geplaatst aan het begin van de Schübler Chorales. En de Britse componist Walton neemt het (enkele eeuwen later) op in zijn balletmuziek ‘Wise Virgins Suite’.

 

De eenheid in deze cantate wordt bereikt door de manier waarop die is vormgegeven maar ook doordat alle belangrijke motieven zijn afgeleid van de melodie van de oorspronkelijke hymne.

 

 

En voor wie het nog niet kent, luister

 

O ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe BWV 34


Lang is de veronderstelling dat het een vrij laat werk is wat we hier horen. Uit 1746 zou deze cantate zijn maar onlangs is in St. Petersburg een tekstboekje gevonden waaruit blijkt dat de cantate veel ouder is en al in 1727 op eerste Pinksterdag wordt uitgevoerd. En de koordelen en de alt-aria zijn nog ouder, ze komen uit een eerdere, niet religieuze cantate, bedoeld ter opluistering van een huwelijk van een geestelijke in het jaar daarvoor. Muziek dus die wordt gebruikt voor een andere gelegenheid, voorzien van een andere tekst. Dat is de essentie van wat genoemd wordt een ’parodie’. Het is zeer gangbaar in Bach's tijd. De integriteit en het niet-inwisselbaar-zijn van een kunstwerk? Nee, dat is echt geen onderwerp voor discussie. Seculiere muziek gebruiken in de kerk? Helemaal geen bezwaar.

 

Eigenlijk zijn het de mooiste cantates, die z.g. parodieën en deze is wel erg geslaagd. Het feest wat huwelijk heet transformeert zich blijkbaar moeiteloos naar het pinkstergebeuren. Spiritueel en vurig, wat willen wij nog meer? Het introductiekoor ontleent zijn contrasterende thema’s aan de begrippen ‘eeuwig’ (gebonden noten) en 'vuur’ (levendige figuren) en die staan ook in de originele tekst waarbij het nog over het huwelijk gaat. Dat begrip Feuer wordt gehandhaaft maar de betekenis verschuift enigszins; de liefde van het bruidspaar wordt nu het vuur van de Heilige Geest dat als flakkerende vlammetjes boven de hoofden van de discipelen te zien is. Het (voor Bach nogal ongewone) gebruik van pauken en trompetten domineert het zeer overrompelende klankbeeld van dit openings-deel. Energiek en stormachtig is het en het koor gaat daar in mee.

 

Als contrast wordt de enige aria die in de cantate voorkomt (3) volledig gekarakteriseerd door het beeld van de ‘Goede Herder’. Daar waar eerst de bruidegom model stond is nu diens plaats ingenomen door Jezus. Maar wat blijft is die magische muziek; gedempte violen unisono met twee fluiten die een octaaf hoger spelen. 

 

Het slotdeel is overweldigend in zijn roep om ‘vrede voor Israel’ met opnieuw een ongewoon heftige orkestpartij die al snel het koor meeneemt in een uitbundig pulserend allegro met een finale vreugderoep van de sopranen op een hoge B waarmee deze Pinkstercantate tot een werkelijk glorieus einde gebracht wordt. 

 


De kennismaking met deze korte cantate verloopt via Harnoncourt. Dat heb ik destijds, lang geleden inmiddels en nog maar pas begonnen met dit alles, betiteld als 'gejaagd geschetter' zoals we bij Harnoncourt gewend zijn. Dat is natuurlijk nogal oneerbiedig tegenover de grote Harnoncourt. Maar ik vind het, eerlijk gezegd nog steeds en hijzelf was ook niet meer zo tevreden over zijn vroege uitvoeringen. Maar dan; op dat openingskoor volgt één van de mooiste aria's uit de hele cantatecyclus nl. die voor de alt. Een hemel op aarde is dit. Maarten 't Hart kent deze aria omdat hij cantate 34 op zondagmorgen in alle vroegte op een keer voor de Duitse radio heeft gehoord:

 

‘Met mijn oor dicht tegen de luidspreker aan om maar niets te hoeven missen van datgene wat zich nauwelijks boven de ruis verheft. Stel: je kent het hele oeuvre van Bach, maar je hebt nog nooit de alt-aria uit cantate 34 beluisterd. Hoe zou je dan reageren als je die muziek voor het eerst zou horen? Zou je dan denken: dit is het allermooiste dat Bach ooit gecomponeerd heeft?’ 

Alec Robertson zegt in zijn boek over de cantates: 'This is arguably the most beautiful aria Bach ever composed'. Je kunt je afvragen: waarom eigenlijk? Vanwege die sublieme harmonisatie: liggende tonica, none-akkoorden? Vanwege die repeteernoten halverwege? Vanwege die prachtige instrumentale fluit, die viool? Vanwege de superieure melodie? Maar 't zijn gewoon secundestapje omhoog en omlaag, net als in dat andere onvatbare wonder, de tweede bas-aria uit cantate 82, je zou 't haast zelf bedacht kunnen hebben. Hoe eigenaardig dat in feite op geen enkele manier te begrijpen valt waarom deze muziek zelfs in 't oeuvre van Bach een onvatbaar wonder is.

 

Maarten schrijft verder dat Rilling de schoonheid van deze aria blijkbaar wil verheimelijken en dat je veel beter bij Karl Richter terecht kan. Dat is ook zo maar er bestaat ook een versie door The Monteverdi Choir/The English Baroque soloists en dat is wat mij betreft de mooiste uitvoering, de Archiv opname bedoel ik. Natuurlijk is die alt-aria wonderschoon, hier gezongen door de grote Bernarda Fink (mooier dan de Magdalena Kožená-versie op een verzamel-CD) maar ook het koor is hier werkelijk geweldig! John Eliot Gardener is de enige die dit kan. Hier lijkt dit steeds maar voortstuwende koor bij vlagen zich werkelijk los te zingen van deze aarde en wij met hen. Ik vind deze uitvoering zo mooi, en wel de cantate in z'n geheel dat hij mij op een idee brengt van een lijst met topstukken, daar komt deze als eerste in.

 

Luister naar de alt-aria en lees de beschouwing van Maarten 't Hart hiernaast over de teksten die Bach inspireerden. Of niet inspireerden.

 



Ziehier het alles omvattend overzicht van de kerkelijke cantates van Johann Sebastian Bach

     1 Wie schön leuchtet der Morgenstern

    2  Ach Gott, vom Himmel sieh darein

    3  Ach Gott, wie manches Herzeleid

    4  Christ lag in Todesbanden

    5  Wo soll ich fliehen hin

    6  Bleib bei uns, denn es wil Abend werden

    7  Christ unser Herr zum Jordan Kam

    8  Liebster Gott, wann werd ich sterben

    9  Es ist das Heil uns kommen her

  10  Meine Seel erhebt den Herren

  11  Lobet Gott in seinen Reichen

  12  Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen

  13  Meine Seufzer, meine Tränen

  14  Wär Gott nicht mit uns diese Zeit

  15  is niet van Bach

  16  Herr Gott, dich loben wir

  17  Wer Dank opfert, der preiset mich

  18  Gleichwie der Regen und Schnee vom Himmel fällt

  19  Es erhub sich ein Streit

  20  O Ewigkeit, du Donnerwort

  21  Ich hatte viel Bekümmernis

  22  Jesus nahm zu sich die Zwölfe

  23  Du wahrer Gott und Davids Sohn

  24  Ein ungefärbt Gemüte

  25  Es ist nichts Gesundes an meinem Leibe

  26  Ach wie flüchtig, ach wie nichtig

  27  Wer weiss, wie nahe mir mein Ende

  28  Gottlob! Nun geht das Jahr zu Ende

  29  Wir danken dir, Gott, wir danken dir

  30  Freue dich, erlöste Schar

  31  Der Himmel lacht! Die Erde jubilieret

  32  Liebster Jesu, mein Verlangen

  33  Allein zu dir, Herr Jesu Christ

  34  O ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe

  35  Geist und Seele wird verwirret

  36  Schwingt freudig euch empor

  37  Wer da gläubet und getauft wird

  38  Aus tiefer Not schrei ich zu dir

  39  Bring den Hungrichen dein Brot

  40  Darzu ist erschienen der Sohn Gottes

  41  Jesu, nun sei gepreiset

  42  Am Abend aber desselbigen Sabbats

  43  Gott fähret auf mit Jauchzen

  44  Sie werden euch in den Bann tun

  45  Es ist dir gesagt, Mensch, was gut ist

  46  Schauet doch und sehet, ob irgendein Schmerz sei

  47  Wer sich selbst erhöhet, der soll erniedriget werden

  48  Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen

  49  Ich geh' und suche mit Verlangen

  50  Nun ist das Heil und die Kraft

  51  Jauchzet Gott in allen Landen

  52  Falsche Welt, dir trau ich nicht

  53  is niet van Bach

  54  Wiederstehe doch der Sünde

  55  Ich armer Mensch, ich Sündenknecht

  56  Ich will den Kreuzstab gerne tragen

  57  Selig ist der Mann

  58  Ach Gott, wie manches Herzeleid

  59  Wer mich liebet, der wird mein Wort halten

  60  O Ewigkeit, o Donnerwort

  61  Nun komm der Heiden Heiland

  62  Nun komm der Heiden Heiland

  63  Christen ätzet diesen Tag

  64  Sehet welch ein Liebe hat uns der vater erzeiget

  65  Sie werden aus Saba alle kommen

  66  Erfreut euch, ihr Herzen

  67  Halt im Gedächtnis Jesum Christ

  68  Also hat Gott die Welt geliebt

  69  Lobe den Herrn, meine Seele

  70  Wachet! betet! betet! wachet!

  71  Gott ist mein König

  72  Alles nur nach Gottes Willen

  73  Herr, wie du willt

  74  Wer mich liebet, der wird mein Wort halten

  75  Die Elenden sollen essen

  76  Die Himmel Erzählen die Ehre Gottes

  77  Du sollt Gott, deinen Herren, lieben

  78  Jesu der du meine Seele

  79  Gott der Herr ist Sonn und Schild

  80  Ein feste Burch ist unser Gott

  81  Jesus schläft, was soll ich hoffen?

  82  Ich habe genung!

  83  Erfreute Zeit im neuen Bunde 

  84  Ich bin vergnügt mit meinem Glücke

  85  Ich bin ein guter Hirt

  86  Wahrlich, wahrlich, ich sage euch

  87  Bisher habt ihr nichts gebeten in meinem Namen

  88  Siehe, ich wil viel Fischer aussenden

  89  Was soll ich aus dir machen, Ephraim

  90  Es reisset euch ein schrecklich Ende

  91  Gelobet seist du, Jesu Christ

  92  Ich hab in Gottes Herz und Sinn

  93  Wer nur der lieben Gott lässt walten

  94  Was frag ich nach der Welt

  95  Christus, der ist mein Leben

  96  Herr Christ, der einge Gottessohn

  97  In allen meinen Taten

  98  Was Gott tut, das ist Wohlgetan

  99  Was Gott tut, das ist Wohlgetan

100  Was Gott tut, das ist Wohlgetan

101  Nimm von uns, Herr, du Treuer Gott

102  Herr, deine Augen sehen nach dem Glauben

103  Ihr werdet weinen uns heulen

104  Du Hirte Israel, höre

105  Herr, gehe nicht ins Gericht mit deinem Knecht

106  Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit

107  Was wilst du dich betrüben

108  Es ist euch gut, das ich hingehe

109  Ich glaube, lieber Herr

110  Unser Mund sei voll Lachens

111  Was mein gott will, das gscheh allzeit

112  Der Herr ist mein getreuer Hirt

113  Herr Jesu Christ, du höchstes Gut

114  Ach lieben Christen, seid getrost

115  Mache dich, mein Geist, bereit

116  Du Friedefürst, Herr Jesu Christ

117  Sei Lob und Ehr dem höchsten Gut

118  O Jesu Christ, meins Lebens Licht

119  Preise, Jerusalem, den Herrn 

120  Gott, man lobet dich in der Stille

121  Christum wir sollen loben schon

122  Das neugeborne Kindelein

123  Liebster Immanuel, Herzog der Frommen

124  Meinen Jesum laß ich nicht

125  Mit Fried und Freud ich fahr dahin

126  Erhalt uns, Herr, bei deinem Wort

127  Herr Jesu Christ, wahr' Mensch und Gott

128  Auf Christi Himmelfahrt allein

129  Gelobet sei der Herr, mein Gott

130  Herr Gott, dich loben alle wir

131  Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir

132  Bereitet die Wege, bereitet die Bahn

133  Ich freue mich in dir

134  Ein Herz, das seinen Jesum lebend weiß 

135  Ach Herr, mich armen Sünder

136  Erforsche mich, Gott, und erfahre mein Herz

137  Lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren

138  Warum betrübst du dich, mein Herz

139  Wohl dem, der sich auf seinen Gott

140  Wachet auf, ruft uns die Stimme

141  is niet van Bach

142  ook niet

143  Lobe den Herrn, meine Seele 

144  Nimm, was dein ist, und gehe hin

145  Ich lebe, mein Herze, zu deinem Ergötzen

146  Wir müssen durch viel Trübsal

147  Herz und Mund und Tat und Leben

148  Bringet dem Herrn Ehre seines Namens 

149  Man singet mit Freuden vom Sieg

150  Nach dir, Herr, verlanget mich

151  Süßer Trost, mein Jesus kömmt

152  Tritt auf die Glaubensbahn 

153  Schau, lieber Gott, wie meine Feind 

154  Mein liebster Jesus ist verloren

155  Mein Gott, wie lang, ach lange

156  Ich steh mit einem Fuß im Grabe

157  Ich lasse dich nicht, du segnest mich denn

158  Der Friede sei mit dir

159  Sehet, wir gehn hinauf gen Jerusalem

160  Is niet van Bach

161  Komm, du süße Todesstunde

162  Ach! ich sehe, itzt, da ich zur Hochzeit gehe

163  Nur jedem das Seine 

164  Ihr, die ihr euch von Christo nennet

165  O heilges Geist- und Wasserbad 

166  Wo gehest du hin?

167  Ihr Menschen, rühmet Gottes Liebe

168  Tue Rechnung! Donnerwort

169  Gott soll allein mein Herze haben

170  Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust

171  Gott, wie dein Name, so ist auch dein Ruhm 

172  Erschallet, ihr Lieder, erklinget, ihr Saiten!

173  Erhöhtes Fleisch und Blut

174  Ich liebe den Höchsten von ganzem Gemüte

175  Er rufet seinen Schafen mit Namen

176  Es ist ein trotzig und verzagt Ding

177  Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ 

178  Wo Gott der Herr nicht bei uns hält

179  Siehe zu, daß deine Gottesfurcht nicht Heuchelei sei

180  Schmücke dich, o liebe Seele

181  Leichtgesinnte Flattergeister

182  Himmelskönig, sei willkommen

183  Sie werden euch in den Bann tun

184  Erwünschtes Freudenlicht

185  Barmherziges Herze der ewigen Liebe 

186  Ärgre dich, o Seele, nicht

187  Es wartet alles auf dich

188  Ich habe meine Zuversicht

189  is niet van Bach

190  Singet dem Herrn ein neues Lied 

191  Gloria in excelsis Deo

192  Nun danket alle Gott 

193  Ihr Tore (Pforten) zu Zion 

194  Höchsterwünschtes Freudenfest

195  Dem Gerechten muß das Licht

196  Der Herr denket an uns 

197  Gott ist unsre Zuversicht

198  Laß Fürstin, laß noch einen Strahl

199  Mein Herze schwimmt im Blut

200 Bekennen will ich seinen Namen